116
„Wat drink je veel. . ..”
„Ja, je hebt gelijk.... Nee geef me geen chartreuse!____
?k Drink omda’k zenuwachtig ben .... beroerd.... ’k màg geen druppel drinken voor den dokter. . . . *
„Ben je ziek?” ....
„Ziek? .... ziek? .... Hoho !. .. . Al zoo lang !.... In ’t Paradis Latin motje zuipen met al de lui... hoe meer hoe beter in intresse van den patroon .... ’k Heb te veel cognac gedronken .... véél te veel ! ... . ’k Heb m’n maag bedorven .... ’k Hou geen voedsel in !.... Nou heb ’k anémie, zegt de dokter .... ’k moet naar Ostende .... Verbeel je naar Ostende! .... Zeelucht! .... Veel voedsel! .... Wat heb 'k an zoo’n raad ? .... M’n geld maakt La op ... . Hoho ! . .. . ’k Zal ’t zonder Ostende doen.... ’k Ben jong .... ’k Leef toch al lang genoeg .... Garçon ! . ... Hé là-bas ! .... Geef me toch maar ’n groene chartreuse.. .. ’k Voel me slapjes vandaag ! . .. . Nou jij ?.... Leef je al lang met Frans?” ....
„Nee .... nee . ...”
„Sapristi!.... Wat ’n flauwe maniertjes! .... Mot je hier afwennen ! .... Waar wonen jullie?”
.... „Ik woon nog bij tante .... Hij, bij mad. Colbert.... Maar we gaan samen wonen. ...”
Ze zei ’t brutaal weg, in ’n dwaas gevoel, om niet onder te doen voor de gemaniereerde onverschilligheid van de vriendin.
Brussels verdorven, misselijk-immoreele lucht begon te reageeren.
„La komt altijd bij mij.... ’k Ben nog nooit bij hèm
geweest Hij woont in bij lui, die in de kerk slapen,
eten, drinken, nietwaar La?”
„Wat zeg je?”
„ . . .. Vertel ’s van je ploerterij !.... Hij kan ’t zoo grappig!” ....
„Nee nou niet ”
„Heel kort maar. ...”