111
debiteerde ’n gemeene aardigheid, waarbij Frans ’t uitschaterde.
Bij de deur gaf hij haar z’n kaartje. Als ze zich bedacht, zou-ie altijd ’n plaatsje voor d’r weten te vinden.
Door de Rue des Palais wandelden ze terug. Hij was sterk vóór Averino’s voorstel. Ze was dwaas om nóg eens bij vreemden te gaan. Was h ij niet vrij als ’n vogel in de lucht? Ze had Zigeunerbloed net als hij.... Crénom,hij zou toehappen!
Zwak weersprak ze. Ze kende niets van dat leven. Ze wou ’t eerst bijwonen, al was ’t ’n paar avonden, zélf zien.
Moeilijk liepze op de sterk afglijdende straat, geslingerddoor verschillende twijfelingen.
„Zie je, Trini.... Als je zelf wat geld verdient.... konden we saam gaan wonen.... Je bent nou toch m’n vrouwtje ...
Nee, dat wou ze niet.... Hij moest nooit weer over die dingen spreken. Ze had zich straks zoo geschaamd bij Ave-rino. Hij drukte haar arm, sprak niet tegen, keek haar an, doordringend van terzij.
„Kijk ! .... Overal kamers te huur .... Hier weer . ..! ’t
Kan niet duur zijn Daar heb ’k altijd naar verlangd ....
’n Kamer .... ’n Mooie alkoof.. .. Zeg? .... Jij wij^e .... zeg?.... Man en vrouw.... zeg?.... Samen eten, drinken .... Zoo’n gezelligheid!.... Zeg? Zeg?”
Droomerig liep ze an zijn sterken, dik-gespierden arm. Ze lieten de Sainte-Marie achter zich.
„Wat heb j’an ’n dienst?. ... Je houdt toch van me Nonsens, nóg langer te wachten!.. ..”
„Laat me denken, Frans ...
’t Hoofdje gebogen liep ze voort, tobbend. Nee, met ’m samenwonen durfde ze niet.... Nooit! — Wat zou tante zeggen?
„Hahaha! .... Tante! .... Maak d’r bang metFlorent!*