‘Van die blommen?*
‘Ja,’ zeiKo.
‘Waarom?’ vroeg het kind, in de stilte van de vreemde tuin aarzelend.
‘Zomaar,’ zei Ko. ‘Dan drogen we ze, as we in het nieuwe huis zijn, in een boek, en dan vertel ik je later, as je een grote kerel geworden ben, waarom we hier zijn geweest.’ De kinderhand boog naar de plek, waar het withouten paaltje met het withouten plankje in de aarde gedreven stond. Eerst plukte hij een nog levend wit bloempje met een gouden hart - toen vroeg hij of het prachtig wit lint met de zwarte letters óók mocht.
‘Ik zal je helpen,’ zei Kobus, het lossnijdend, en de helft met de woorden ‘Voor onze Kameraad’ bij zich stekend. Buiten wachtte tante Toos, en bij het hek reed een zwarte koets binnen.
‘Fijn!’ zei het kind, toen hij een uur later weer in de trein zat, en van een krentebol hapte.
Zo begon de tweede periode van Koertjes leven.
23 november 1923.
252