DAGERAAD
De geestesdaad als daad volbracht te zien En in mijn kleine, slaafsche machtloosheid:
Was 'k niet geboren in een arbeidskiel? —
Mijn werk uit handen gaf — ik onderging —
Ik had niets meen De Landheer had. Hij heeft.
Ik onderging. Dat was een schuld. Mijn schuld.
Ik heb geleden wel ontzaggelijk,
Want 'k was niet blind.... Dat mag ik zeggen nou, Mijn lieve Marjo, zonder dat het kwetst....
Ik was ellendig, toen ’k d’ ellende zag,
Die 'k ongewild in zooveel hutten bracht —
Vannacht ben 'k heengegaan naar boven op Den Doodskopberg en heb me neergelegd Zoo dat ik vallen móést — ik wóu een eind —
En sta weer hier — Dat is mijn tweede schuld,
Maar ’k heb me niet verzet, toen jij, Pioen,
Je hand ophief. .. . Doe ’t nog!. ... Ik ben bereid, PI0EN
Dat kan 'k nou niet meer, nou zij 't ziet. .. .
LUKAS Jij Reus. .. .
REUS (doet een dreigenden stap, houdt zich in)
.... We hebben andere karwei....
Er valt nog wraak te nemen in het dal....
Vooruit! Het landhuis leit op onzen weg,
Waar in den zomer 't vorstelijk gespuis Met zijn trawanten in de schaduw hokt!
Blijven we, makkers, langer hier? Ik ga!
(geroep en gedrang van de menigte naar buiten)
ADAM (terwijl de kloosterbroeder met de menigte mee gaat)
Reus! Reus! De soldeniers zijn overal....
't Kost je eigen dood....
REUS
. .. .Wie vraagt jou wat?
ADAM
Je heb straks om je doode vrouw gehuild:
Maak jij je kindjren. op een dag tot wees. . . .?
REUS Dat raakt jou niet!
128