DAGERAAD
’r Oogen dicht te doen, als ze geen bloed Kan zien!.... Moest ik het bij mijn vrienden niet? VROUW Ik bij mijn zoon!
REUS
Ik bij mijn zielig wijf!
PIOEN
Op zij! Ik ken mezelf niet meer! Op zij....
MARJOLEIN (in stijgende extase)
Je steekt niet toe Pioen — dat doe je niét....
Als je mij stak — nóu — nóu — terwijl ik zie Je goeie, bruine oogen, kameraad —
(hij wijkt angstig achteruit) Dan zou jij nóóit meer in het heerlijk licht Van d’ochtendzon — dié zilvren weerschijn is De zon — de zon — de zon — daar brandt het niet! —
(de menigte dringt schuw op) En nooit meer in het zalig avondrood,
Of in de oogen van je zieke vrouw,
Je eigen kindren durven zien.... Ik beef Van 't lachend wonder en ik kus jouw hand,«
Ik kus je hand waarmee je werken wou
En het niet kon! Wat zijn je slapen grijs
Geworden, sinds ik je 't laatste zag en Van je afscheid nam-----
(de menigte praat onthutst) Ik bukte angstig Bij de forellenbeek — weet je dat nog? —
Waar lente-klokjes bloeien als daar staan.
Jij zei: val er niet in — en plukte ze,
Ook met die hand — ook met dat mes, waarmee
Je ze voor mij gesneden had.... Ik keek
Je hijgend en doodsangstig aan, omdat
Ik in datzelfde uur mijn oogenlicht
Voor goed verloor. Jij bracht me vriendlijk thuis.
Jij was mijn eerste steun.... Nou zie 'k je weer — Dezelfde hand, Pioen — 't zelfde mes —
*t Is of er niets gebeurd, veranderd is....
Ik neem je wangen, lieve kameraad,
En dank jou voor ik iemand dank....
126