ZEVENDE KAPITTEL
DE TROOST VAN DE LEUGEN
Het werd ’n vreemde, triestige, mateloosbekoorlijke dag.
Boven, achter de neergelaten gordijnen, in de rust van het huis en in de rust buiten, lag ’t kindje bij de kaarsen die de moeder daar neer had gezet en bij de bloemen, de fleurend-dorrende, die ieder aan had gedragen.
Beneden, in de serre, zij glimlachend, hij af en toe wat bewerend — en dan bei weer zwijgend met de lieve aan-voeling of ze met mekander over alles aan ’t praten waren — benee in de serre met ’r weelde van groen en ’r penetrant-zoete geuren, zaten ze in ’t geschemer, de zwaarmoediging der zonlooze stores.
’t Heele huis stond in de schaduw van aangrauwende onweerswolken, die ’t licht van enkel nog geel-dampende, als in smeuling dof smokende wolke-randen, naar de opperste boomtoppen en ver-wegge, schril-roode daakjes, ketsten.
Maar in de serre was 5t lijk avondschemer — en ze merkten ’r niets van.
161