op moment voor jóu blind is geworden
— ik wil en zal je niet meer ontvangen!.... Vooruit chauffeur!....
Met ’n in drift paars geworden kop bleef-ie naast z’n hond staan, terwijl de auto zich in beweging zette — en zoo zag Joep ’m inderdaad — of de woorden 5n profetische beteekenis hadden — voor ’t laatst.
Maar aan niets van den man dacht-ie op dat oogenblik.
Zich heftig naar Loek wendend, vroeg-ie:
— Is dat waar, zuster — liegt-ie niet — heb jij je oogen....?
Ze knikte, timiede, als in schaamte.
— Heb ik jóuw oogen....?
Weer knikte ze.
Toen, met trillende lippen, stak-ie ’r ’n bevende, laffe hand toe.
Die zag ze niet.
In één zelfde doode richting staarde ze voor zich uit — met den pruden glimlach, die op *r gelaat scheen gestold.
En omdat-ie nu eindelijk, eindelijk gelóófde — omdat-ie aan 5r houdingloosheid — door de oogen, die eens de hare waren geweest, zag — hoe hulpeloos ze aan de schokken van de auto overgeleverd was, greep-ie ’r kleine, witte hand, en zonder ’n
159