100
ACHTSTE TOÖNEEL.
Wied, Mathieü, Kerkhoven, Schulz, Hadwig, Wiener,
RüDOLF, later SCHENK, MATANSKU, SPIESS, De PAARDENDRIJVER, Stemmen-in-het-donker.
Hadwig (verwoed). Langzaam! Langzaam! Niet dringen!
Wiener. La-me d’r door, la-me d’r door!
Schulz. Je komt ’r niet door! Achteruit I Achteruit, we trappen op lichamen! Pooten thuis! As je met geweld wil!
Wiener. La-me d’r door! ’k: Zie licht! Opzij! (Een gestommel. Dan stilte).
Wied. Mannen, is ’t jullie in je hersens geslagen!... Motten jullie mekaar in ’t donker als beesten ... Stilte...! Stilstaan ...! Ik ben ’t: Wied. Achteruit... Wie is dat ?
De paardendrijver. Dondert niet wie ’t is, dondert niet wie jij ben!
Wied. Je kan hier niet door, man! ’r Ligt iemand in ’t pad! Ik ben ’t, Wied, de directeur... Achteruit...! Is de mijngang nog open ... ? Stilstaan ...! Stilte...! Schenk (huilerig). Nee! De boel leit ’r dicht! Wied. Wie zegt dat...? Wie ben jij... ?
Schenk. Schenk...! Schenk...! Kontrolleur Schenk meneer!
Wied. Stilte...! Ben je alleen, kontrolleur? Schenk. Nee! Ja! ’k Weet ’t niet!
Hadwig. Mannen, dring niet...! Wat helpt dringen...! Je dringt de berg toch niet door! Dring niet over de wagens heen! D’r leit hier iemand! Wat weerlicht zijn jullie dol geworden ...! Stilte ...! (Geklaag en gekreun). .. . Bè-jij ’t, Spiess ... ? Is dat jouw hoofd, Spiess ...?
Spiess (kreunend). ... Niet lichten, niet lichten, Hadwig — in Godsnaam niet lichten! O, me beenen, me beenen zijn stuk! Ooooo!
Hadwig. ... Wat weerlicht, ga dan opzij! Je trapt