166
Vorst. Ja, hè.. .. Dat komt... (nijdig). Bemoei je niet met me! (een stilte).,.. Dus, je weigert op ’t ouderlijk huis terug te keeren ?
Ossip. Ad primum, zooals majoor Plums zegt, pa, heb ’k geen lust, om door de waakhonden, die in de goten loopen, in m’n kuiten te worden gebeten — ad secundum....
Vorst. Hou je op met je geleerdheid!
Ossip.... Ad secundum, voel ik niet de minste behoefte, ’t voorbeeld van u en de betere standen, om uit angst in ’n kelder te slapen, terwijl ’t in de boomen zoo gezond is, na te volgen.... Pa, als u toch begrijpen wou, dat ’r niets meer
tegen te houden valt Door de groote vlucht —
de groote vlucht van de menschheid, pa, wankelen de tronen. Er zijn genoeg struisvogels, struisvogels, pa!
Vorst.... Zou je meenen ?
Ossip. Natuurlijk pa! (een onweersslag).
Vorst (opspringend). Wil je uit dien boom komen! Moet je door den bliksem getroffen worden ?
Ossip. Pa, pa, wat is u toch angstig! Ik heb wel ’n paar kilometer bóven de onweerswolken gevlogen, heb den bliksem onder m’n voeten, gewoon zoo heen en weer — pischt! — pom! — pischt! — pom! — heen en weer zien springen____