nog al niks — honderd — honderd (loopt de trap
op, gaat achter de onderdeur). Wie pakt ’r an?____
Jan. Ikke!... Ho!... Ho!... Schrijf jij is op, schoen-frik____
Schoenlapper. Ik hei geen papier Mag ’t met krijt
op de zool van de laars?
Jan. As je ’t maar sekuur doet Je weet hoe-ie de
mensche loere draait____
Bakker. Nou dan! Me arrem is geen uithangbord!
Jan (tot Sien). Ho!... Ho!... Nog niet! (kijkt in de
ladenkast). Daar kenne ze niet in Zelle me ze op
jouw bed legge?
Sien. Eerst ’n ouwe krant Daar!
Jan (de brooden van Sien, die halfwege de trap staat, aannemend en in de achterste bedstee leggend, koortsachtig vlug op en neer loopend). Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien.... (de brooden verdwijnen in de bedstee; zij vegen zich Men het zweet van het voorhoofd).
Schoenlapper (tellend) Twintig Dertig... Veertig... Vijftig... (hij geeft met het stuk krijt streepjes).
De Zwaan. Me benne op de helft.
Jan. ’k Zweet as ’n sleepersknol (zij vegen zich weer allen het zweet van het voorhoofd).
Bakker. Vijf tegelijk — en nog is vijf—
83