Vijfti ende Tooneel.
De vorigen, Rijksveldwachter.
Veldwachter. Banes?
Thijs (op de trap). Voor mijn?
Veldwachter. Je zoon Jan mot kommende week Dinsdag voorkomme ...
Thijs (het papier inkijkend). Nou eerst?... Dacht da-ze ’t vergete ware ...
Veldwachter (lachend). Nee, Banes — me schenke niks ... wat in ’n goed vat leit, wat? ...
Thijs. De jongen ken ommers geen stap doen, zoo ziek as ’n hond...
Veldwachter. Mot jezelf gaan met ’n bewijs van de dokter... En anders bij verstek. Wat het-ie uitgehaald? ...
Thijs (norsch). Steen door ’n ruit — hallef jaar geleje, godbeter! (tot Bet). Pak an (geeft haar de dagvaarding). Of niet elleke gezonde jongen ’s wild op z’n tijd is. (pratend op straat met den Rijksveldwachter). La-ze mijn maar late bloeie... Die ’t breed het, laat ’t breed hange (tot Sien). Veruit! Mot ’t jongen broeie? (af).
46