Jan (wild z’n moeder wegstootend). Moord!... Moord!... Ik ken geen asem meer krijge... Mijn doen ze ’t ook!.. Ik.... Ik.... Ik....
Bet. Toe me jongen — kom tot je zellef — d’r doet
jeniemand wat Jantje Jantje! Ik ben ’t...
Ik!... Za’k ’n kouwe doek op je hoofie legge?... Wat?... Wat?...
Jan (zich opheffend, kijkt naar de raamgordijnen, gebaart er heen, smakt achterover).
Bet (met water en ’n doek, wijkt terug, laat alles vallen, stort op het bed toe. Jacob schoorvoet naar het hoofdeinde, neemt aarzelend 'n af gezakte hand). O! O! O!
Thijs (boven aan de trap). Hij komt in ’n kwartier....
Jacob. Niet meer noodig (trekt het laken over ’t
hoofdje). Nou moeder — de stumper is uit z’n lijje----
het uitkomst uitkomst, mo-je denke....
Einde.
Scheveningen, Juli—September 1907.
8 113