zelle me met me lichies zien loope Wat motte
me doen? Wat motte me doen?...
Bakker. De trap op! De trap op!... Haast je!
Sien (de trap opstormend). Draag jij ze! Draag jij ze!
O! O! Ze brande me goed door!... Ze springe
na de hemel terug! (af met bakker. De zwaan ligt met bloedenden nek).
Elfde Tooneel.
Jan, De Zwaan, later Thijs, Bet, Jacob en gebukt voor het raam, naast de doode zwaan: De Dokter, Lammersen, Aaltje, Schoenlapper, Bonnet, Riesje, De Schele, Meisje van Bierman en meerderen.
Jan (onbewegelijk). Zwaan! (angstiger roepend). Zwaan! Zwaan dan!... Je kijkt me an en je praat niet!... O, je bloed loopt op me bed!... ’k Zei ’tanJacob
vertelle Jacob zei ’m met z’n mes doodsteke____
Hullep!... Hullep!...
Jacob (van rechts op de trap met kaas en ham). Wat is d’r Jan?
Jan. Me zwaan is dood____
Thijs (met een tulband). Dood?...
Bet (met een wijnflesch in iedere hand). Hei-jij zoo geroepe, Jan, me lieve jongen? (buiten verdringen zich de bukkende hoofden naast de zwaan, in elk
110