Jacob. Veertig duizend Veertig duizend.... Veertig
duizend Eenmaal____
Kapelaan. De godslamp gaat voor----
Jacob. Andermaal Ten derde maal!... Voor de
meneer van de bank-an-de-overzij.... Daar hei-je ’r!
Bankier, ’k Zal je daalijk de cente an late reike (neemt de ster aan, die nog even in zijn hand licht, dan plots dooft). Hij is z’n vuur kwijt! (angstig) Hij brandt niemeer (algemeene teleurstelling). Zóó mot ik d’r niet, zóó hè-’k d’r niet gekocht....
Jan. Dat ken ommers niet Laat mijn d’r is kijke!
(grijpt de ster, die dadelijk weer schijnt). Zie je, meneer! (reikt haar opnieuw over. De ster verliest haar licht in de handen van den Bankier).
Bankier (vertoornd), ’k Zie niemedal!... ’k Hei ’n ster mèt licht gekocht____
Jan (verlegen). Daarnet dee ze ’t toch (herneemt de ster, die in volle lichting glanst). Hèt ze licht, kappelaan ?
Kapelaan. Dat het ze Ze het ’n licht as geen godslamp nog het — (grijpt haar — de ster dooft in zijn hand. Allen wijken onthutst van de trap. De kapelaan maakt het teeken des kruizes, legt de ster op Jacob's scharesliep).
Jacob (haar weer in volle glanzing opnemend). Hoe ken dat nou Jan?
Jan (die naar de tafel gevlucht is). Weet ik ’t! Ken ik ’t hellepe? De zwaan het ze (in de la kijkend)....
102