Dat viel mee. Levenslustiger zette Jonathan zijn mes aan, begon de meneer te scheren.
‘Je mes trekt...’
‘Trekt’t mes? Wel! Hee!’
En opnieuw zette Jonathan aan, warmde het in de ketel, schoor voorzichtig en netjes zoals hij het alleen kon.
Afgelopen.
De mijnheer wies zich. De mijnheer liet zich wat vinaigre geven. De mijnheer vertrok.
Geen seconde later zat Jonathan voor de tafel. Er kleefden wat haartjes van de mijnheer op zijn handen. Zó precies keek hij niet.
Marie, blij dat-ie terug was, schepte de vis op. Die stoomde met lustige poffen. En de aardappels zagen er blommig uit. Prachtig!
Vlug nam hij een moot op zijn bord, mengde de mosterd met de botersaus, brokte een aardappel.
Pien.
‘Wel vervloekt!’ snauwde Jonathan.
En weer klonk gesprek in de winkel.
‘Is je patroon ’r niet?’
‘Nee — me patroon ..
Nóu was ’t mis. De klant die onder ’t mes zat wist dat de patroon wél thuis was.
Grimmig slikte Jonathan een hap, smeet de kamerdeur open. ‘Morgen mijnheer. *.’
‘Morgen...’
In de kamer hoorde hij Marie het bord opnemen en in de oven zetten, ’t Was om razend te worden.
‘Scheren mijnheer?’
‘Ja, scheer me vlug, één maal...’
De kwast zeepte het klantengelaat en met een zeldzame vlugheid gleed het mes op en neer. Niemand in de hele stad kón zo vlug en zeker halen als hij. Terwijl sprak hij opgewekt. De vis bleef warm. Je raakte aan alles gewend.
145