gezellig. Jonathan neuriede erbij, ’t Was zo kwaad niet, pas getrouwd én — schelvis, schelvis met échte natuurboter.
Pien.
De schel ging over. Allemachtig! Goddank, een onbekende. In ’n wip was Jonathan achter de deur van de huiskamer. Dat kon Frits wel af. Hij verdraaide ’t om gestoord te worden in z’n schelvisje.
De huiskamer grensde aan de winkel. Door de tulen gordijnen kon je iedereen zien zonder dat ze je zagen. Wat ’n lust om hier te zitten. Marie had een schoon tafelkleed gelegd. De verse mosterd stond klaar en op de kachel dampten de geëmailleerde pannétjes.
‘Heerlijke vis,’ zei de vrouw, ‘ ’n juweel van ’n vis ...’
Bij ’t fornuis prikte ze in de stomende pan. Ze was nog niet gaar.
‘En je lever?’ vroeg hij, blij de handen wrijvend.
‘Zilver. Enkel zilver ...’
‘Geef mij vast een boterham ...’
Zij, huiselijk, gezellig, prettig jong wijfje, lepelde voorzichtig in het kleine pannetje, sneed dunne boterhammen, smeerde de lever erop.
Gulzig schoof Jonathan bij, hapte erop los.
‘Fijn!’ smakte hij. ‘Héérlijk .. !’
En een zeer zalig gevoel overkwam hem. Bij schelvislever speciaal kan dat gebeuren. Johathan leunde achterover, schurkte de schouders, keek zijn huiskamer rond. Een half jaar getrouwd — een warm nestje — lever — én pruttelende boter.
‘He ...’ zuchtte hij.
Maar tegelijk bewolkte een grauwe schrik zijn bol blozend gelaat.
De voordeur zei ‘pien’.
Driftig-kauwend keek hij door de tulen gordijnen.
‘Is de patroon ’r niet?’ klonk het in de winkel.
‘Jawel,’ zei Frits.
143