‘Mén geeuwt niét in gezelschap,’ redeneerde hij, blij dat-ie gelijk had.
‘Asof je ’t met ópzet doet,’ verdedigde zich Marian, ver-veeld-vies en kribbig de neus optrekkend.
‘Dat mot ’r nog bijkomen,’ viel hij uit, ‘jullie schijnt ’r vanavond plezier in te hebben met tegen te spreken ...’
‘Och nee, pa, helemaal niet — u ben zelf uit uw humeur ...’
‘Zo — dan maar,’ gromde hij, driftig de stoel verplaatsend.
Moeder, goedig, tóch met angstig gebaar — ruzie was zo élléndig as je in ellende zat — trachtte ’m zachtjens te sussen. Het breiwerk lei ze vrindelijk neer en óp het breiwerk de ijzeren, potige bril en kippig de geluwe lichtkegel doortastend — ’n last as je mét je ogen had — zei ze, wiegend elk woord:
‘... Nou ... óüwetje ... misschien léit ’r nog wat...’
‘Nee,’ ontkende hij korzlig.
‘... Laat mij nou nog is ...’
Bij de schoorsteen doorzocht ze de grote pul én de kleine én de vaasjes waarin ze wel ’ns endjes dee als ze stofte.
Niks.
Toen snuffelde ze, zenuwachtig in de naaidoos, tussen klosjes en knopen, verlegde het brievenrekje — niks. Ze wist ’t ook wel. Ze had gister gezocht en vanmorgen en vanmiddag. Uit de lucht kwam ’t niet vallen.
Vader opgestaan, liep gejaagd op en neer, de handen grimmig in z’n broekzakken.
‘Schei nou maar uit! — ’k Kan ’r wel buiten — ’k dacht ’r helemaal niet an. En nou laat jij ’t weer vóélen ..
Bedrukt ging ze zitten, ’t kamerbleek gelaat over de breikous gebogen, de bril scheef op de neus, pijnlijk-dwars naast de rode striem waar-ie altijd rustte. En de vingers gleden weer méé met ’t gladdig naalden-beweeg.
Marian geeuwde opnieuw — maar verschrikt bedenkend
113