Aarzelend deed ze het, bang voor de meid en geen kwartier later waren zij verzoend, lei hij uitvoerig uit waarom hij zo laat was thuis gekomen, accepteerde zij zijn leugens omdat ze zóveel van hem hield, zo alles, en hem toch niet zou kunnen verlaten.
De meid hoorden ze de trap afgaan naar beneden.
En dat gaf haar een plotselinge ontzetting.
‘O! O!’ riep ze, de gang inlopend.
‘Wat is er? Wat ga je doen?’
Ze was de trap al af, treden tegelijk afspringend. In de huiskamer had de meid de gordijnen opgetrokken.
‘Ben u op, mevrouw?’
Het was een malle ontmoeting. Zes uur ’s morgens en al gekleed.
‘Haal eens vlug een glas water uit de keuken, Door!’
‘Ben u niét goed?’
‘Haal maar vlug, vlug!’
En terwijl de meid weg was bukte zij snel oprapend de snippers van de trouwakte, blij dat Door ze niet had zien liggen.
Toen ze ontbeten had, liet ze stijfsel koken en een half uur was ze ermee bezig om de stukken netjes op een vel schoon papier te plakken, ’t Zag eruit alsof een grote spin haar webbe over het contract had gelegd.