109
NEGENDE TOONEEL.
De vorigen, Mevrouw Stam.
Mevrouw Stam (schuw). Lachte jij daar zoo ?
Marx. Ja, mamaatje.
Mevrouw Stam. Hè — goddank! — Mari, ’r staat ’n berichtje in de ...
Mari... In de krant. Pieper schijnt relaties te hebben in de journalistiek ...
Alphons. Zal ik maar ? ...
Mari. Ja — ga jij maar heen, sinjeur.
Alphons. Maar me nessie krijg-ie niet — dat zou
je wel wille. — Zal ’k ’r morgen voor jou een uithale P
Mari. Liever niet, Fons (op de volière wijzend). Die daar bouwen t een.
Alphons. Nou, ajuus!
Mari. Ajuus, Fons (Alphons af) . .. Aardige jongen. — Je heb weer kwestie gehad, moedertje, met den meneer benejen ...
Mevrouw Stam. Zoo mot je niet over je vader
spreken — dat ’s geen toon, kind.
Mari. Née — da’s geen toon. — Moedertje, ga over me zitten. Jij ben altijd zoo’n béste vriendin van je — van je kinderen geweest —