144
Klein-kramertje. Mooi zoo, mannetje van elf. Sta jij met potlooden. Als je dan toch met handel moet gaan staan zitten, neem dan potlooden. Leer den luiden ’t eerste koopen, wat jij ’t eerst als mensch gewaar werd. Scharrel de rammel-rollende roetjes met je tengere vingertjes terecht, aai de taaie takjes met ’t zwarte merg door ’t paaiende palmpje van je platte handje, pak ’n piekje hier en daar eruit en houd het den grooten dwazen voor, die voor hun cent nog willen uitzoeken en goed hun potloodje bekijken, eer ze dien éénen cent als laatste lootje leggen. Rommel in de grauwe gom-elastiek, om ’t den luiden graag te maken voor ’n cent ’n brokje uitveegsel, eer ze gelooven dat ’t uitvaagsel is. Domkoppen, schrijf dan zóó met je potlood, dat je niets hoeft uit te vegen, spaar je voor ’n cent ’n stukje vlak bekocht te zijn. Blader in die schriften met hun blauwen bast, beroer met je twee handjes hun blanke binnenste, waaier de witte woestenij in ’n wilde, windige warreling voor hun oogen uit. Wat vraagt die slungel? Of d’r geen „vloe” in is? Wou die markt-vloo d’r nog vloei in hebben ook voor z’n cent? Maak hem duidelijk, dat je potlooden en geen pennen verkoopt. Wat moet vloei met ’n potlood? ’t Vlak is ’t vloei, ezel!
Klein-kramertje, waarom ben je zóó klein al ’n kramertje? Moet je niet naar school met ’n lei en ’n grift of ’n schrift en ’n stift? O, zóó, school in de schoon-maak. En nu help je vader zeker op ’t Plein en past op z’n karretje? Nee? Wat? Is dat karretje van jou, stukje man? Al die potlooden en stukjes vlak en stapeltjes schriften? Geen vadertje meer? Uitgeveegd uit ’t schrift des levens met ’t stukje vlak van den Maleg-hammoowes? En jij bent de oudste van vier, die in vader’s trouwboekje staan geschreven met inkt? Wie wint dan brood? Moeiende moeder? O, zóó, vier jaar, van vader’s dood af, werkster geweest. En nu dan? Opgeschreven ten doode door den dokter in ’t gasthuis. De dokter van de bus had ’n half jaar lang met z’n potloodje z’n best gedaan, recepten geschreven zonder vlak. Krabbels, waar z’n wijsneusje, als hij ze’onderweg naar den apotheker lezen wou, niet wijs uit worden kon. Toen schreef de dokter met ’n potlood van hèm, van ’n cent, omdat ’t puntje van zijn gouden op was, ’n briefje. Hij jubelde, want dat wat met zijn potlood was geschreven, kon hij lezen, toen-ie ’t naar den Voorburgwal brengen moest. Duidelijk las hij: opname in ’t gasthuis. Hij