Tussen Tongeleth en Tollens
zijden met schoone tapijten gedekt en omhangen en ’t altaar van boven en aan ’t agterend bekleed met roode fluweele dekens, vercierd met rijk vergulde galonnen en franjes, terwijl dat zoowel de Hoofdkerk als de nieuwe en de 3e kerk, waaruit vlaggen zijn gestoken geworden van binnen verligt waren, zo als zulks op de gewoone feestdagen gebruikelijk is.
De opgemelde leeden ter kerk gekomen zijnde word ’t middaggebed geleezen en voorts de tot deeze plegtige dag door de Weleerw. Heer Opperrabbijn ingestelde gebeden en lofzangen met opene deuren van de Boeken Mozeskast door den Oppervoorzanger uitgesproken en gezongen. Waarop zich alle deeze aanweezenden begaven door de kleine deur aan de Oostzijde der kerk naar de vergaderzaal, teneinde aldaar eenige ververschingen te gebruiken, hebben de WelEd. Heer van Brienen, de Graaf Colonel van de gewapende burgerwacht en eenige andere opper-officieren van ’t zelve corps alsmede de Heer L. de Jong, commissaris van Politie in ’t 7de arrondissement, ten gevolge van de aan dezelve gedane invitatie daarbij geassisteerd. Na verloop van eenige oogen-blikken de tijding aan Parnassim namens de Heer Maire dezer stad toegezonden zijnde, dat hunne Majesteiten reeds in de Diemermeer waren aangekomen, de aanweezende leeden zig alzoo tot hoogst derzelver receptie gereed kunnen houden, verlieten de leeden de vergaderzaal nadat de Heeren officieren vooruit waren vertrokken en begaven zich andermaal door de opgemelde kleine deur naar de Hoofdkerk. Tegen 2 uur ’t gebulder des geschuts de naderende komst hunner Keizerlijke en Koninglijke Majesteiten aangekondigd hebbende, plaatsten zig alle de leeden buiten voor de kerk binnen de door de Burgermacht ter hunner dispositie gemaakte ruimte —”.
„Bij de aankomst van zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit voor de kerk wierden van binnen de kerk de deuren van de Boeken Mozeskast geopend en alle de leeden heften luidkeels aan ’t gewone gebed, onder ’t onophoudend juichend geschreeuw der talrijke menigte, die met ’t roepen Vive l’Empereur de lugt deeden weergalmen. Ondertusschen dat de Heer de Lemon, president van ’t Opperconsistorie, Zijne Majesteit naderde in korte bewoordingen de hulde en gelukwenschingen der
81