op te volgen, bezitten zij niet, verwerpen zij. Wij zouden kunnen vragen, waarom men niet gerust mag veronderstellen, dat ook in dit opzicht bij hen eene verandering intreden zal? Doch wij stellen deze vraag niet, omdat men ons herinneren zal aan den goddelijken levensregel: het gedrag der toekomst mag geen maatstaf zijn. Maar eene andere vraag: stellen wij ook een onderzoek in naar het geloof van uitmuntende, weldadige stamgenooten, wanneer wij in het belang van den behoeftigen geloofsgenoot hen om steun en bijstand smeeken? Wenden wij ons, om den nood van een ongelukkige te lenigen, alleen tot hem, die, evenals wij, van de waarheid van onze godsdienst overtuigd is? Of zijn wij innig dankbaar voor de hulp die ons van deze zijde komt? Of koesteren wij voor de edele welwillendheid, ons daar ten deel gevallen, de grootste erkentelijkheid? En toch onderstelt het oefenen der weldadigheid in den gewonen zin des woords slechts een warm hart en goeden wil, vereischt echter volstrekt niet buitengewonen moed en heldhaftig besluit, afgezien nog van de aangename belooning, die de weldadige vindt in den roem, in den lof, hem toegezwaaid. En deze broeders nu, die zich door hun streven, hun vervolgden stamgenooten een duurzaam rustig en verheffend bestaan te verzekeren, aan de aanvallen en aantijgingen van de geheele wereld blootstellen, deze broeders nu zouden zij met vijandigheden en hatelijkheden bejegenen? Het is waar, deze afkeurenswaardige uitingen zijn in Nederland vreemd. Wij werpen den knaap niet driftig, niet verontwaardigd, maar kalm, bedaard en onverschillig weg. Terwijl hij met luider stem ook naar onze bijstand roept, blijven wij op verren afstand zitten, werkeloos, ongevoelig, doof voor zijn bidden en smeeken, in de verwachting, dat het dierbare kind van de wakker geworden Joodsch nationalen geest, van dorst sterven zal.
Doch, m. vr., deze knaap zal niet sterven. De geest die hem bezielt, is de geest, wiens verschijning de profeten voor duizende jaren voorspeld hebben. Deze heerlijke plant is alleszins eerst in haar ontkiemen, maar zal zich langzamerhand, onophoudelijk tot bloei en glans ontwikkelen. De teedere knaap, die thans verlaten onder de boomen ligt, zal tot een groot volk worden. Want ziet, evenals de oude, droevige profetische voorspelling, waarvan wij in den beginne dezer rede spraken, tot voor korten tijd als een ongeloofelijk feit beschouwd, voor onze oogen ingetreden is, evenzeer zal ook de profetische verzekering, dat de liefde tot Zion in het hart van het afvallige Israël ontbranden zal, bewaarheid worden. Vandaar, dat ook tot u de hemelsche stem gericht is: Staat op, neemt den knaap, ondersteunt hem naar kracht en vermogen. Moge uwe onverschilligheid plaats maken voor warme en krachtdadige deelneming aan het reddingswerk voor uwe onderdrukte en vervolgde broeders. Amen.
165