H. T. Colenbrander, Inlijving en Opstand, Amsterdam, 1941.
I. Maarsen, Tongeleth, Een Joodsch Letterkundige Kring in de XIXde eeuw, Amsterdam, 1925. Voor een gehele analyse van het Amsterdamse Jodendom tussen 1815 en 1862, vgl.
J. Meijer, Van Dernburg tot Dunner, Het Nederlandse Jodendom in de eerste helft van de negentiende eeuw, gepubliceerd in Hakehilla, officieel orgaan van de Joodse Gemeente te Amsterdam, sedert april/mei 1956.
Henriëtte Boas, De Gneser Chazzan, Hakehilla, sept./okt. 1959.
Bij Hoofdstuk VI
B. J. Hirsch, Bijdrage tot de Geschiedenis der „Bioer", De Vrijdagavond, II, pag. 307 env.
D. M. Sluys, Het halwezen bij de Joodse gemeenten te Amsterdam, De Vrijdagavond, VI, pag. 39 env.
Bij Hoofdstuk VII en VIII
J. Meijer, Rabbiner Hirsch en het Jodendom van Amsterdam, in Elfde Jaarboek van de N.Z.S.O., Amsterdam, 1955.
—, Tussen Götterdämmerung en Morgenrood, Beschouwingen over Joden in Nederland omstreeks 1900 (Openbare Les), Amsterdam, 1951.
—, Willem Anthony Paap, 1856-1923, Zeventiger onder de Tachtigers, Amsterdam, 1959.
—, Dr. Meijer de Hond, Bloemlezing uit zijn werk, Amsterdam, 1951.
S. Seeligmann, Opperrabbijn A. S. Onderwijzer in de lijst van zijn tijd, Amsterdam, 1935.
157