Echa der echo’s
Maar nu wij voorgoed afscheid nemen van de Grote Sjoel, is er behoefte aan een visie op de positieve kwaliteiten van deze grootste Raw, die dit plein in anderhalve eeuw heeft gekend. Tegen de nivellerende invloeden van de liberale verlichters uit de jaren zestig, wist Joseph Hirsch Dünner het officiële karakter van het traditionele, halachische Jodendom te waarborgen, naar binnen en naar buiten. Vooral dit laatste, dat ogenschijnlijk misschien niet zo belangrijk lijkt, zou in de ontwikkeling der jaren tussen 1860 en 1940 zijn betekenis demonstreren. Dünner bleek sterk genoeg, naar innerlijke dispositie en naar wetenschappelijk formaat, om het dilettantisme van alle epigonen het zwijgen op te leggen en hij hield energie genoeg over om daarnaast vormend te werken op een nieuwe rabbijnengeneratie. Hij moge dan te kort zijn geschoten in visie op de sociologische problematiek zijner dagen; hij moge dan zelfs geen nieuwe Jodendomsinhoud hebben geleraard (daarvoor moesten zelfs zijn favorietleerlingen borgen bij Samson Raphaël Hirsch) -wat van hem getuigd kan worden was niet gering: hij dekte met zijn persoonlijke vlag de lading van het oude, legitieme, Joodse schip. Zeker de oud-Amsterdamse inheemse traditie werd goeddeels door hem overboord gezet, ook in de synagogen van dit plein kwam het decorum thans op zeer besliste wijze zijn rechten opeisen - maar er werd nimmer gedacht aan enige concessie op rabbijnse grondslag en wat sommigen (ook de Lehrens, Akiba leefde nog) „nieuw” scheen, sanctioneerde een echte Joodse Raw, met een ongekend persoonlijk gezag, gebaseerd op een door ieder erkend, imponerend, talmudisch weten.
Dünner was meer dan een persoonlijkheid, hij was een karakter. En dat ook zijn visionaire kwaliteiten niet gering waren, moge vandaag nog blijken op dit plein, waar hij in 1898 op de eerste dag van Rosj Hasja-na 5659, „bij den ochtenddienst ter Groote Synagoge” zijn grote preek hield over de zionisten, naar aanleiding van de tekst uit Jesaja 42, 9: „De vroegere voorspellingen, zie, zij zijn ingetreden, ik verkondig nieuwe, voordat zij ontkiemen deel ik u deze mede”; en met als tussentekst: „sta op, neem den knaap”, Genesis, 21, 18.
Uit de oorspronkelijke predikatie, gepubliceerd in het Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland, Vrijdag, 23 September 1898, citeren wij:
125