Het Jonas Daniel Meijerplein

Titel
Het Jonas Daniel Meijerplein

Jaar
1961

Pagina's
177



Echa der echo’s

verwezenlijken van opgemeld doel, waarvan men met grond de zegenrijkste vruchten voor alle Israëlietische gemeenten in het Rijk mag verwachten.”

Aldus het simpele bericht in het Weekblad voor Israëlieten (Uitgevers: S. M. Coutinho Jr. & Co.) van Vrijdag 10 Januari 1862, waarmee een nieuw hoofdstuk wordt ingeluid in de geschiedenis van het Amsterdamse Jodendom, ja, van het gehele Nederlandse Jodendom. Wij mochten dan al een Bilderdijk hebben ontbeerd op de grens van de 18e en de 19e eeuw (onze „Bilderdijk”, de Isaac da Costa van de Bezwaren tegen den geest der eeuw, had ons in 1822 reeds door de doop verlaten), bij de overgang van de 19e naar de 20e eeuw mocht het Meijerplein zich in elk geval geschraagd weten door een Raw, die over alle kwaliteiten beschikte, nodig om het Jodendom integraal naar binnen en naar buiten te handhaven. Dat zijn candidatuur gesteld werd door de gebroeders Lehren, zegt voldoende. Wat voor moeite deden zij niet om een Talmudist aan te trekken, die in staat en bereid zou blijken het Nederlandse Jodendom omstreeks 1860 over zijn dieptepunt heen te brengen.

Velen hadden reeds geweigerd het Rectoraat van het Seminarium ofwel het Rabbinaat van Amsterdam te aanvaarden: Ettlinger, S. R. Hirsch, S. B. Auerbach, Klein, Feuchtwang. Toen verscheen de onbekende naam van Joseph Hirsch Dünner, die nog niet eens het radikaal van Rabbijn bezat, aan de horizon. In 1862 nam hij de leiding van het Seminarium op zich. Nog twaalf lange jaren moest hij wachten, alvorens (niet zonder strijd) hij het Opperrabbinaat mocht aanvaarden van een gemeente die - naar Joodse maatstaven gemeten - wel uitermate moeilijk in de hand te houden scheen. „In het jaar 1863 het tijdstip waarin de jonge richting het toppunt van bloei bereikt had, bood het Nederlandsche Jodendom voor hem die niet bij de oppervlakte staan bleef, maar tot het hart der verschijnselen doordrong, een weemoedigen en zorgwekkenden aanblik aan. Aan den eenen kant het oude Jodendom in zijn volle kracht en schitterende glans, aan den anderen kant het jonge geslacht, dat met onvermoeiden arbeid en met buitengewone vaardigheid een graf dolf, dat de gezonde en krachtige dragers van het oude zouden verslinden.

122

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.