HOGE HOEDEN / LAGE STANDAARDEN
O. dat hierdoor wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan den verdachte is ten laste gelegd;
O. immers, dat in bovenstaande bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden, welke hier herhaald moeten worden beschouwd, opleveren evenzoovele redengevende feiten en omstandigheden, waarop steunt de beslissing van den Politierechter, dat het aan den verdachte ten laste gelegde als voormeld bewezen door den verdachte is begaan, waarbij het opzet om te beleedigen uit de beziging van het woord ‘lafaard’ tegenover het Hoofd van den Duitschen Staat Adolf Hitler voortvloeit;
O. dat het bewezene oplevert een strafbaar feit, namelijk:
opzettelijke beleediging een hoofd van een bevrienden staat aangedaan, waartegen is voorzien en waarop straf is gesteld bij art. 117 Sr.;
O. dat Wij aannemen, dat verdachte deswege is strafbaar, waar geen omstandigheden zijn gebleken, die de strafbaarheid zouden uitsluiten;
O. dat de verdachte zich heeft verweerd alsmede diens raadsman, dat de verdachte niet het opzet heeft gehad om te beleedigen, immers het gebezigde woord was een slip of the tongue, en er verder van opzet van beleediging van Hitler als hoofd van een bevrienden staat geen sprake kan zijn, als men hem uitsluitend heeft willen aanvallen in zijn functie van partijleider of Führer of Rijkskanselier, daar een staatshoofd boven de partijen staat en zich niet actief in den partijstrijd mengt, en het in deze aannemelijk is, dat de verdachte Hitler heeft aangevallen als fascistenleider, dus als partijman en Führer, terwijl als de verdachte een oogenblik vergeten zou hebben, dat Hitler ook staatshoofd is, dit hem ten hoogste als schuld zou kunnen worden aangerekend, maar nooit als het opzet dat de wet vereischt;
O. dat deze beschouwingen in deze niet ter zake doen, daar, al moge de verdachte bedoeld hebben op Adolf Hitler in zijn functie van Führer of Kanselier van het Duitsche volk critiek te hebben willen oefenen, en Hitler als staatshoofd ongerept te hebben willen laten, in deze gebleken is, dat de verdachte in zijn rede Hitler ook als staatshoofd belee-digd heeft, daar de onderscheidingen, die verdachtes raadsman thans maakt bij het door den verdachte gebezigde woord ‘lafaard’ niet tot uiting zijn gekomen, en uit de verklaring van den getuige Kampstra betreffende verdachtes uitlating gereedelijk blijkt dat deze uitlating het Duitsche Staatshoofd Hitler betrof;
O. dat verdachtes verklaring ter terechtzitting, dat het gebezigde
178