HOGE HOEDEN / LAGE STANDAARDEN
‘Deze’ zo heette het in het voorstel der Regering, ‘ten getale van 26 werkten verwarrend en waren in economisch opzicht niet bevorderlijk; ook kon bij centralisatie consequent een selectie worden doorgevoerd naar geloof, leeftijd en geslacht en kon er uniformiteit worden gebracht in de behandeling der vluchtelingen en de administratie. Ook de opleiding tot emigratie zou door de centralisatie gemakkelijker worden; ditzelfde was het geval met de bewaking en dit zou de bewegingsvrijheid ten goede komen. En deze centralisatie was temeer noodzakelijk omdat men er, wegens de beperktheid der emigratie-mogelijkheid, met een, zo niet permanent, dan toch langdurig verblijf rekening moest houden.’ Zeker gold verder als motief, dat één leiding voldoende was; het kon beter en meer volgens de regels der hygiëne worden ingericht en de kosten zouden lager worden. Wat een enkel blad tot uitdrukking bracht was, dat zulk een kamp op wat verdere afstand van de bewoonde wereld kon worden geplaatst. De vreemdeling wordt op den duur nimmer met sympathie begroet en men koesterde, juist tegenover deze ‘illegale’ elementen, een zeker wantrouwen.’
‘Het voorstel tot stichting van een centraal kamp werd 12 April 1939 met een kleine meerderheid door de Tweede Kamer aanvaard, ongeveer een maand later ook door de Eerste. Maar de aanneming van het voorstel tot aanvulling der begroting met de som, die nodig was voor de bouw en de inrichting van het Centrale Kamp, had in het Parlement niet dan na verzet van verschillende kanten plaats gevonden; en bij de stemming in de Tweede Kamer bleken slechts 49 van de 80 leden er vóór te zijn. In het debat werd met veel nadruk tegen opsluiting der vluchtelingen, tegen beperking der bewegingsvrijheid, tegen onderwerping aan één régime gesproken; wilde men deze als afschrikwekkend voorbeeld voor verdere toevloed aanwenden, zo waren daarvoor andere, meer humane middelen te bedenken. Het was te begrijpen, zo betoogde de heer Donker, dat in de eerste schrik na de pogrome èn de Comité’s èn de ängstigen zelf in deze maatregel hadden toegestemd; maar de Regering had hen later van hun belofte moeten ontslaan. Was het dan, zo vroeg hij, niet mogelijk om 1500 personen in de maatschappij onder te brengen, te meer omdat velen van hen over geld en relaties beschikten? Was niet, zo vroegen anderen, huisvesting mogelijk in kleine kampen en in gezinnen?’
162