ONGEWENSTE VREEMDELINGEN
voor de vrijheid des geloofs, hoe opvattingen van menschelijkheid en rechtvaardigheid, die hier reeds eeuwen gelden een schrille tegenstelling vinden in middeleeuwsche bekrompenheden waarvan wij nog heden ten dage buiten onze landsgrenzen, en met name in Duitschland, onophoudelijk hooren.
Hoe machtig greep ons de spontaneïteit aan, waarmede, na het beëindigen der voordracht luide de zang van het oude ‘Wilhelmus’ opklonk!
Hoe drong de eeuwenoude tekst diep in onze ziel door:
Mijn schilt ende betrouwen Sijt ghij, o Godt, mijn Heer!
Op U soo wil ick bouwen,
Verlaet mij nimmermeer!
Hoe innig doorvoeld eindigde, in dit Joodsche gezelschap, de zang met de bede, welke in eeuwen helaas nog niets aan intensiteit verliezen kon:
De tyranny verdrijven,
Die mij mijn hart doorwont.’
Het was maar goed ook, dat in joods ’s-Graverihage het Wilhelmus zo innig werd gezongen. Want daar kwamen van over de grens al te veel feestverstoorders, die overigens - nog niet eens zo lang geleden -onder soortgelijke omstandigheden ‘Deutschland, Deutschland über alles* hadden gezongen. Met minder succes blijkbaar. Maar lag dat soms aan ons? En wat kwamen die mensen hier doen?
‘De toevloed naar Nederland van personen, die tot een zoodanige bevolkingsgroep behooren, gepaard gaande met de voortdurende in-strooming van vreemdelingen, die wegens andere motieven hun land verlaten, kan echter ernstige gevaren voor het Nederlandsche volkskarakter met zich medebrengen. Het kan dan zelfs noodzakelijk blijken de verdere toelating van vreemdelingen van een bepaald ras of van een bepaalde nationaliteit geheel te verbieden. Alleen op grond van gevaar voor Ueberfremdung zal de Overheid dan ook tot afwijzing kunnen overgaan van geheele groepen van vreemdelingen, op wie overigens niets valt aan te merken. Het behoeft wel geen betoog, dat bij toepassing van zoodanige maatregelen zeer hooge eischen gesteld worden aan het beleid der Regeering.’ (Geuljans, pag. 56).
159