HOGE HOEDEN / LAGE STANDAARDEN
keken - hen bij wijze van spreken taxeerden op de centjes die zij in zo'n knaapje wel hadden geïnvesteerd.
Was dat nodig? - aldus Wagenaar over het gebouw - ‘kan die schande niet van ons afgewenteld worden?' Letterlijk zei hij het op zondag 2 juni 1918. Maar de schande bleef. Alle welsprekendheid en weldadigheid ten spijt.
Haar zwaartepunt lag intussen elders. Bij de zieken en dan speciaal de geesteszieken, die in Apeldoorn een medisch centrum van betekenis hadden doen ontstaan. Niet overbodig, omdat (om het cijfer van 31 december 1930 als uitgangspunt te nemen) op tienduizend niet-joodse Nederlanders 28 dezulken voorkwamen en bij de joden niet minder dan 75. Meestal werd de opvallende nervositeit der onzen geweten aan hun enerverende beroepen, ook wel aan de inspanningen bij handel en bankwezen. Aan de diamantindustrie, met haar inspannend-nauw-keurige arbeid aan de ene en aan de andere kant de druk der periodieke crises.
Dat de cijfers er duidelijk liggen, is echter niet te loochenen. Er waren veel psychisch geaberreerden onder de onzen. Het goles werkte door en de jaren tusen 1933 en 1940 - om over het vervolg dan maar helemaal te zwijgen - bleken een steeds gunstiger klimaat voor stoornissen van allerlei aard. En dat vereiste aandacht en geld.
Jaarverslagen van de eveneens in Apeldoorn gevestigde vereniging ‘Lesammeiach Hajeled’ (Voogdijvereeniging voor Joodsche geesteszwakke en moeilijke kinderen) demonstreren daarnaast, hoe ook het familieleven der joden tendensen van neergang begint te vertonen. Een zelfde geluid kan beluisterd worden in jaarverslagen van de S. A. Rüdelsheimstichting te Hilversum en van de Bergstichting te Laren.
De stichtingsbrief van de laatste verplaatst ons weer naar die heerlijke sfeer van liberale filantropie, die het in Neerlands jodendom tót 1940 (of zelfs daarna) altijd zo goed heeft gedaan.
‘stichtingsbrief
Heden, den twintigsten April negentien honderd negen, verschenen voor mij, Julius Compris, notaris ter standplaats Amsterdam, in tegenwoordigheid der na te noemen getuigen;
142