bovenkleederen dient gedragen te worden, door een onderwijzer als een onnuttig en bespottelijk voorwerp verwijderd.
Vroeger herhaaldelijk, maar ook nog ter gelegenheid der kroningsfeesten in dit jaar, werden leerlingen door een onderwijzer genoodzaakt de oranjestrikken van hunne kleederen te doen.”
Maar dit conflict en zijn resultaten vormen een eenzame uitzondering. Het is alsof de Opperrabbijn in de regel zich zeer ongaarne confronteert met de werkelijkheid van een Joods Amsterdam, dat hem, Oost jood in het Westen, in wezen vreemd bleef. Zeker, ook in zijn preken benadert hij de actuele vraagstukken van alle-dag, maar hoe theoretisch, dogmatisch en gedistantieerd. Het is alles goed doordacht, overwogen, bestudeerd, maar de introverte Talmid Chagam had alleen maar zijn bureau naar de kansel verplaatst. En zijn stijl moge zijn discipelen dan het zuiverste Nederlands hebben geschenen (hij zelf was er trots op zich ontworsteld te hebben aan het Jiddisch!), ons komen de lange zinnen, die de lenigheid van een natuurlijke stylist ontberen, maar al te krampachtig voor. Slechts een zeer beperkte kring van bewonderende leerlingen en intimi had nog werkelijk contact met hem. Hun kritiekloze adoratie moet hem ergens hebben gehinderd. Hij had toch eenmaal zijn vleugels wijder willen uitslaan dan hem later in de praktijk vergund bleef. Waar waren de idealen gebleven uit de tijd, dat hij nachten had doorgesproken met Moses Hess, die in 1875 was gestorven, maar die omstreeks 1900 al een plaats had verworven in de handboeken der Joodse geschiedenis.
De wetenschap had hem het succes onthouden, waarop hij in de jaren na 1860 had gehoopt. Zijn zelfstandige theorieën op het veld van de talmoedische studie werden aangevochten, zijn Hagahoth voor het front der Westeuropees-Joodse geleerden in de letterlijke zin afgemaakt. Op deze aanvallen heeft hij nimmer gereageerd, maar de „Monats-schrift”, waarin Saul Horowitz en Kronberg hun scherpe aanvallen hadden gelanceerd, werd van af die tijd op zijn uitdrukkelijk bevel niet meer toegelaten in de bibliotheek van het Seminarium.
Geïsoleerd bleef hij voortgaan op de eenmaal ingeslagen weg. Een in diepste wezen tragische persoonlijkheid: te klein voor zijn oorspronkelijke toekomstidealen — te groot voor wat het leven hem aan werkelijkheid te bieden had.
Wanneer wij lezen bij Carry van Bruggen hoe zij als dochter van de Zaanse rebbe Izak de Haan aanwezig is bij de Opperrabbinale inspectie van het onderwijs door Dr. Joseph Hirsch Dunner, dan bekruipt ons een gevoel van deernis met de geleerde, die toch eenmaal, als Nietzsche, bij de grote filologen van West-Europa in de leer was geweest. Die naar Bonn was gekomen als een „Iloej” uit het Oosten, talmid van Dembitzer. Die in Amsterdam het Seminarium had gereorganiseerd en in 1874 het Opperrabbbinaat had aanvaard......
99