onwetendheid, het amratsoeth. Slechts een redelijk niveau van Joods weten kan ons beschermen tegen de symptomen van verval, die overigens niet van gisteren dateren, doch reeds van de vorige eeuw. Niet het minst voor onze traditie geldt het oude woord, dat onbekend onbemind maakt. Een klein restje „weten” bij Heinrich Heine en Jacob Israël de Haan kon nog als schakel fungeren tussen hun persoonlijk leven en de grote historie. Het moge voor ons een les zijn.
Binnen onze Kehilla moet het weer mogelijk zijn aansluiting te vinden bij onze nationale geschiedenis. De gemeenten kunnen voor de diaspora-Joden wederom worden wat zij vroeger waren en tegelijkertijd kunnen zij als „filialen van Israël” het verband onderhouden tussen ons en het oude-nieuwe land.
142