X.
LENTELIED.
Opstijgend langs ’t gazon — licht opgebogen — Staart boven bladerkroppen, door een flauw En vreemd vervloeiend lila soms bevlogen Bij ’t deinen op den wind, naar ’t hemelblauw Een myosotis-bed. (Bij onvermogen In je expressie helpt dat „vreemd” je gauw Als stopwoord), t Is of ik van Liefje d’oogen Azuur uit deze bloemelijn aanschouw.
Zoo blauw, trouw (honneponnig!) zijn haar
blikken.
Zij vleit als vogelke’ uit een boom: Piet! Piet! Verdomd! — Zoo kan je toch van alles schrikken, Nu daaruit plots het satans*tronie ziet Van iemand, die maar steenen moest gaan bikken — Want die brak me’ af! — en roept: Vergeet mij niet!
106