VIII.
DE WERELD-OORLOG.
Periode: Zomer 1918 na de Bolsjewistische N ovember^Revolutie.
Ik... bij... mijn Ziel!... Daar is ’t weer!...
Op de heide Boenkt van de grens t kanon in ’t nacht’lijk uur, Nadat om mij zich zoete vrede breidde In ’t hutje, waarin k naar mijn boeken gluur, Waaraan ik mij in mijn vacantie wijdde.
Ja, denk eens, dat door stom, vijandig vuur Zoo’n geestessschat (En hij!) naar elke zijde Uiteen sloeg: Beeld van onze wanscultuur!
k Geloof niet meer, dat Duitschland het zal winnen. Gelukkig komen wij niet meer in t nauw! k Betreur het meest, dat mij in koel bezinnen — Die dezen strijd hoog boven haat beschouw — De kracht ontbreekt, —hoe graag ik wil beginnen— Waardoor ’k hieruit een Wereld*Epos bouw.
104