Wij onderteekenen met groeten, in het belang van de waarheid en vrede in Jerusalem.
(w.g.) J. Ch. Sonnenfeld
Chief Rabbi of the Ashkenasic Community Jerusalem.
(w.g.) Rabbi Isaac J. Diskin,
Jerusalem.’
Bij pag. 284
Meijer de Haan weigerde als reserve-officier een bevel van een meerdere op te volgen, dat hem in conflict bracht met de Joodse Sabbatwetten. De sfeer van het probleem (een echte De Haan-casus) tekent een ingezonden stuk in DeJoodsche Wachter van 13 sept. 1918, geschreven door Rabbijn De Vries, die ook voor deze zoon van Izak de Haan als geestelijk raadsman optrad.
Bij pag. 285
Het noemen van de Nederlandse socialisten is merkwaardig, om de affecten. ‘Burgeres’ H. Roland Holst. Zij wordt geacht. Danade beide Joden met parallelle rebbe-achtergronden: niet geacht! A.B.K. mét de toevoeging ‘nog uit zijn Zionistischen tijd’. En tenslotte de Troelstra uit de Pijpelijntjesda.gen\ En al die laster ongevaarlijk, omdat niet hij, maar ‘zij’ het hebben gezegd!
Bij pag. 286
Dat alle reizigers zich lieten voorlichten door De Haan én dat hier een groot gevaar voor de Jisjoew lag, blijkt ook uit het later aan te halen schrijven van J. H. Kann (cf. pag. 315): ‘en dus ook niet zult trachten bezoekers van Palestina tegen het Zionisme in te nemen.’
Bij pag. 290
De uiting tegenover J. H. Kann is ons door meerderen (o.m. S. L. de Beer) bevestigd. Wat Kanns consulaat betreft, vermelden wij nog, dat bij K.B. van 20 april 1924 het vice-Consulaat der Nederlanden te Jeruzalem verheven werd tot een consulaat en dat de heer J. H. Kann als consul benoemd werd buiten bezwaar van ’s Lands schatkist.
Het ressort van het consulaat omvatte de onderdistricten Jeruzalem, Bethlehem en Jericho van de provincie Jeruzalem, Jaffa en het onder-district Nablus van de provincie Samaria en voorts de onderdistricten Beersheba en Hebron van de Zuidelijke provincie.
380