Stel je voor: ineenen stond voor mijn oogen een Groene met jouw tweede opstel over de Lichtstad en kwatrijnen van mij (15 Maart). Alle andere Groenen zijn verdwenen. Vraag den Heer Van Holkema mij tenminste nog eens de nummers te zenden waarin ik zelf iets geschreven heb. je brief heb je geschreven in de hut bij de dennen. En ik heb hem gekregen in een tropische warmte. Weet je wat ik zoo beangstigend vind: als we elkaar wederzien, dat we dan allebei zooveel ouder zijn geworden. Ineens! Met Hans voel ik dat ook sterk. Ja: als alle menschen goed en edelmoedig waren, dan was de Lichtstad er wel. Maar als wij een gedicht maken, dan is het eerst in den geest en dan schrijven wij het op. Zoo is het ook met de menschheid. En ik denk niet, dat de Lichtstad al in den geest der menschheid bestaat. Hier is nog heelemaal niet de eenheid, die daarvoor noodig is!
Het definitieve afscheid van de Rebbe uit de duinen bij Noordwijk schijnt aanstaande. ‘Ik voel mij niet meer zoo aan Verwey en De Beweging verbonden’, aldus aan Van Eeden, 2-2-1919. Op 12 maart nog schrijft Jacob Israël:
Zeer waarde Heer Verwey, uw brief van 21 februari bereikte mij hier in 14 dagen. Dat is nog altijd wel een uitzondering. Ik ben verheugd, dat u de kleine rijmen goed vindt. Het is de vorm, waarin mijn dichtkunst zich thans het liefst geeft. Ja: voor de ouderen ligt de mogelijkheid van het onbekommerd genieten voorgoed achter den oorlog. U zult ook uit mijn gedichten wel zien, dat ik bezorgd geniet. Dit is ook een van mijn gedichten: bezorgd genieten. Tot Napels was het koud. Hier is het heet als in Holland des zomers. Waarom zoudt u trouwens niet eens hier komen, mettertijd! Ik heb mijn abonnement op De Beweging gehouden, een van de weinige weelden, die ik mij hier veroorloven kan. Het leven is hier duur. Ik betaal ƒ 150.— per maand voor een kleine kamer met pension. Vertel dat uw vrouw eens. Maar ik heb nog geen Beweging ontvangen. En het Handelsblad ongeregeld met hiaten.
Ik blijf tot Paschen in Jeruzalem. Dan denk ik naar Jaffa te gaan. Van de plaatsen, die u heilig zijn, zie ik niet zoo heel veel. En ze zeggen mij ook niet veel, omdat ik die geschiedenis niet heb beleefd en weinig gelezen. Hartelijk de uwe,
dH.
Daarna zwijgt hij maanden lang. In de zomer komt zijn laatste brief naar Noordwijk:
235