Zijn reis naar Jeruzalem was begonnen. Nog klonken afscheidsklanken in zijn oren. Het was een koninklijke uittocht geweest, waarvan het ceremonieel zich over vele weken had voltrokken, sinds op die eerste avond van december 1918 zijn Zionistische en vooral Mizrachistische vrienden hem hadden uitgeluid. Het had in de praktijk niet anders gekund; een reis naar Palestina was in die naoorlogse dagen afhankelijk van onzekere factoren en papieren formaliteiten.
Hij had over het ongewone Joodse eerbetoon gesproken met zijn dichterlijke makkers uit De Beweging en niet steeds zonder dichterlijke fantasieën. Door zijn verhalen geënthousiasmeerd was zelfs de schuchtere Jacques Bloem op die kille zaterdagavond, 4 januari 1919, aan het Centraal Station verschenen om de ‘duizenden Joden’ te aanschouwen, die hun grote dichter zouden toezingen bij zijn afscheid van Amsterdam. Meerdere tientallen zongen, toen de trein naar Hoek van Holland langzaam het perron verliet, het ‘Lied der Hope’ - het Hatikwa.
Zijn briefje aan Albert Verwey van de vorige avond had nog eens zijn vreemde attitude tegenover het traditionele Jodendom gedemonstreerd. Zelf schreef hij op vrijdagavond niet; voor dit verboden werk had hij Paul Cronheim uitverkozen, een Joodse ‘Sjabbesgoi’! Zijn vrouw, die anders zulke baantjes opknapte, was zeker niet bij de hand.
Zeer waarde Heer Verwey,
Gisteren hoorde ik plotseling, dat ik morgenavond vertrek. Voor een bezoek blijft dus nu geen tijd. Paul Cronheim schrijft deze brief daar het Vrijdagavond is. Ik zend U allemaal dus de beste groeten en hoop U hier of daar weder te zien.
Ik dank U voor alles wat gij voor mij zijt geweest. Aan het Tijdschrift hoop ik te blijven medewerken binnen de maten van mijn vermogens.
Nu hoorde hij de laatste tonen van het Joodse Volkslied vaag door de harde geluiden van nuchtere spoorwagens heen. Hoe schoon had hij dit eenmaal geparafraseerd:
219