Wanneer gij dit lezen zult, heb ik Holland reeds verlaten. En er zijn breede streken van water tusschen u en mij.
Maar ik heb dit nog geschreven in Holland. In mijn huis aan den rand van de stad, dat zijn blikken nog wijd laat uitgaan over de verre velden tot aan den horizon van een laan van hoornen.
En nu ik mij gereed maak uit Holland heen te gaan, nu gevoel ik, hoe innig ik verbonden ben aan het land, dat ik noemde in een gedicht: ‘Roepstem’. Het land van mijn jeugd,
Het land van mijn manschap,
Van mijn peinzende droefheid, mijn juichende vreugd,
Van al mijn verwantschap.
En wanneer ik dan toch uit Holland heenga, dan moet het u wel heel duidelijk zijn, welk een sterk gevoel van noodzakelijkheid ons drijft. Niet alleen de Joden uit de landen der ellende zullen opgaan. Maar ook de Joden uit Holland, waar wij altijd een ruim en rustig leven hebben gehad. En niet alleen zullen opgaan de Hollandsche Joden, die weinig in Holland laten. Maar ook zullen opgaan de Hollandsche Joden, die veel in Holland laten. Het is niet verstandig, dat wij gaan. Maar het Verstand, de Rede, is ook niet de meest betrouwbare Richter van ons Leven. De betrouwbare Richters van ons Leven zijn het Geloof en het Gevoel. Tweeduizend jaren heeft het Joodsche volk met zijn Gevoel en met zijn Geloof het Joodsche Land en de Joodsche Hoofdstad vastgehouden. Nu maken wij ons op, waarlijk wel ‘van de vier hoeken der aarde’ tot een nieuwe, eene vreedzame verovering van Land en Stad. Ons doel is niet een eng nationalisme, dat in alle volken vijanden ziet. Neen: wij aanvaarden de verdeeling der menschheid in vele volken als een van ouds gegeven en onverwoestbare instelling. Wij willen de menschheid weder beleven, als genooten van een eigen Joodsch Volk. Met een eigen Land, eigen Wetenschap en eigen Kunst. Wij meenen, dat wij op die wijze het best werkzaam zijn voor ons zelven, voor ons Volk en voor de Menschheid. Zoo redeneeren wij. Maar redeneerend weten wij tevens, dat wij met onze kleine logische woordjes toch nooit komen tot de diepten van de krachten, die ons drijven. Uit alle landen, goede en slechte landen, weg. Naar één enkel land heen.
169