der hebben bestaan, want de voorbereiding is reeds eind juni volledig gereed.
Wel typerend zijn zijn hoogst persoonlijke mededelingen deze keer aanAlbert Verwey:
Wij hebben hier in Londen zeer drukke dagen gehad, maar niet zonder nut, naar ik hoop en vertrouw. Ernest Dowson wordt hier veel gelezen. Ik heb de vierde druk van zijn gedichten hier gekocht. Wij waren bij Peter Kro-potkin. Zijne dochter kende Dowson’s gedichten goed. Er staat een voorrede in van Arthur Symons. Kent u die?
Havelock Ellis vertelde mij, dat Symons krankzinnig was geweest en nu nog niet beter is. Hij schrijft wel weer, maar de fijnheid van zijn oordeel is weg. Ellis is een beste man. Absoluut niet Engelsch. Hij heeft veel Fransche vrienden. Ook R. de Gourmont. Gisteren ben ik in Reading geweest. Als jurist mocht ik de gevangenis zien. Ik had mijne krachten overschat. En dit bezoek heeft mij gebroken. Ik zal blij zijn als ik weer in Holland ben.
Het duurt dan nog ruim 3 maanden alvorens de heer en mevrouw mr. Ja-cob Israël de Haan-Van Maarseveen naar het Tsarenrijk vertrekken. Van Eeden schrijft hij eind juni:
Wij gaan 19 Juli weg, als mijn pas nog in orde komt. Als ik Zondag 7 Juli eens naar Walden kwam? ’s Middags tegen een uur of vier. Het is dan vacantie. Ik zou je willen vragen om een introductie voor Dr. Dillon in St-Peters-burg. Misschien kent hij menschen van het gevangeniswezen. Van Jan Feith heb ik een introductie voor den chef van de politie in Warschau. Ik heb over de Engelsche gevangenis geschreven in het Weekblad van het Recht. Ik ben wel wat vermoeid, maar ik werk wel. Hans laat zeer groeten. Gaat het goed met Paul? Schrijf je nog even voor 7 Juli. Veel liefs ook aan Truida en de kleine jongens van je vriend
Joop
Met Dillon had Van Eeden eerder contact gehad. In 1909 had hij (volgens onderzoekingen van Wim J. Simons) een bezoek aan Walden gebracht, naar aanleiding waarvan Van Eeden in zijn dagboek noteerde:
Eergisteren bezoek van Dillon, die mij veel vertelde van de Europeesche politiek, waarin hij zelf een gewichtige rol speelt. De Tsaar haat hem, maar kan hem toch uit Petersburg niet wegsturen. Hij is een bescheiden, bemin-
131