van het nationale geweten, doch in een veel bredere zin dan het zionisme (toch een bij uitstek intellectuele beweging) ooit was geweest. Voor de zionisten was dit een merkwaardige gewaarwording. Ver en verder afstaan-den doorbraken de nationale barrière, omdat het toch ook wel celebrale zionisme was verdrongen door iets geheel anders, iets veel groters. Zij trokken zo maar naar het oude land. Het scheen voor hen een vanzelfsprekende aangelegenheid. Waarom zouden ze blijven? Ze hadden toch nooit een ideologie gehad, die nu kon dienen als een soort excuus. Dat, wat nog zionisme wordt genoemd, heeft in Israël allang geleid tot de Modern-Hebreeuwse uitdrukking "dabber Tsionoet” (= over Zionisme spreken), een soort equivalent voor nonsens zeggen.
Want na 16 jaar staat de jonge staat los van een theoretiserende diaspora. Wat bij ons nog galoet heet (de eeuwenoude, ons nog drukkende? ballingschap), dat is voor jonge Joodse mensen afgelopen. De “sabre”, tussen Dan en Beerseba geboren, begrijpt niet eens meer iets van wat wij Joodse geschiedenis noemen. Het martelaarschap van ons volk in de historie blijft hem onduidelijk. Fraai werd dit getypeerd door de Hebreeuwse Carmiggelt, Ephraim Kishon, in een van zijn sketches, “Jigal en de inquisitie”. “... je bent een heiden — dat ben je.” Aldus de grootvader tot de kleinzoon. “Je kunt geen eerbied opbrengen voor het heldendom van je voorvaderen.” En dan de reactie van de kleinzoon: “Humbug! Grote woorden! Moet ik het soms als Gods wil zien dat die monniken me af slachten? Sorry, opa, maar die voorvaderen van u vind ik vreselijke lafbekken.”
De mentaliteit van dit nieuwe geslacht kent maar één alternatief en dat is: komen of af gesneden worden. Zó bedoelde Ben Goerion het, toen hij zich tot de Joden in het Westen wendde, die maar steeds niet kwamen en die nog niet komen.
De openhartige discussies over de vraag, welke criteria men moet aanleggen bij het vaststellen van de Israëlische nationaliteit, zijn een teken aan de wand. De begrippen Israëli en Jood zijn bezig uit elkander te groeien. Israël — door het Joodse volk steeds als zijn grote nationale ideaal beschouwd — is op weg naar een Hebreeuws cultuurpatroon, dat even Israëlisch zal moeten zijn als Engeland Engels. Deze ontwikkeling is de vrucht van het zionisme, waarvan de nivellerende, rationalistische zijde al eerder in het geding werd gebracht. Het al te rigoureuze nationalisme sluit hierbij direct aan. Gesecondeerd door een waarlijk voortreffelijk functionerend militair apparaat, groeit de patriottische geestdrift in een staat met een nationalistische gedragslijn, die Israëlischer is dan Engeland Engels.
Ernstig schijnt het ons dat de directe suggestie, die juist van deze gemakkelijke symbolen vooral op bewuste Joden uitgaat, een objectieve positie-
162