beid verdubbeld. En dit gold niet minder het geestelijk aspect! In het land was een Hebreeuwse cultuur ontstaan sedert de dagen van pioniers als Eliëzer ben Jehoeda (1857-1922), wiens huis het eerste was, waarin na eeuwen het Hebreeuws als levende taal wederom werd gesproken. Dichters stonden op, zoals Chaim Nachman Bialik (1873-1934), een man in wie de oude Joodse cultuur zich zo sterk en zo zuiver had kunnen consolideren, dat het - toen hij zich plotseling als scheppende letterkundige ging uiten -scheen alsof deze taal èn deze inhoud organisch pasten in een ongeschokt cultuurpatroon, dat zich nooit anders dan in deze oude taal had gemanifesteerd. Was het niet hoopvol, dat deze dichter de oude cultuur weer toegankelijk wilde maken voor het nieuwe geslacht en dat zijn simpel Sabbatlied - Sjabbat Hamalka - zonder meer werd geaccepteerd binnen het raam der traditionele eeuwenoude Zemirot (= liederen)? In Bialik sprak de stem van de Joodse historie:
Alleen
De wind heeft ze allen weggedragen, hen allen lokte *t licht,
Een nieuwe zang heeft hun levensmorgen verblijd,
En ik, teer duivenjong, ben vergeten uit de harten
Onder Sjechincts vleugelen. (Sjechina = Goddelijke Majesteit)
Alleen, alleen bleef ik over, en zij, de Sjechina,
Doet haar gebroken rechterwiek trillen boven mijn hoofd.
Mijn hart weet, wat Haar hart vervult: Zorg heeft Zij om mij,
Om Haar zoon, Haar enig geblevene!
Verjaagd is Zij uit alle hoeken! Slechts één Verlaten, verborgen hoekje is over:
De leerschool! Daar, in de schaduw, verborg Zij zich,
En samen met Haar ben ik in de nood.
En als uitgaat mijn hart naar het venster, naar ’t licht,
Als de plaats mij te nauw wordt, daar onder Haar vleugelen ...
Dan zinkt haar hoofd op mijn schouder, dan drupt Haar traan Op het blad van mijn Talmoedboek.
Stil weent Zij om mij, buigt zich over mij heen,
Als beschermde Zij mij met haar kreupele wiek:
“De wind heeft ze allen weggedragen! Allen zijn zij uitgevlogen,
En ik bleef alleen, alleen!”
133