„Het Oosten spreekt niet meer. Alleen Jerusalem, —
ook zij een tombe...... maar Prophetenadems zweven
en lispelen om dat graf: Uw dooden zullen leven!
Wie zijn ze, die dit puin met lijkmisbaar en klacht
sints achttienhonderd jaar beleegerd dag en nacht
in ’t slavenkleed, met hartverscheurend kleederscheuren,
dien negenden van Ab onafgemat betreuren,
waarop de Tempel viel? — ’t Is Israël, bekend
door ballingschap en ban van ’s werelds end tot end.”
De negende Ab neemt in Isaac’s gedachten en speciale plaats in. Van haar symbolen heeft meermalen verteld. Ook in zijn Israël en de Volken, zijn eschatologisch-nationale Joodse geschiedenis, die in 1848 werd voltooid. Haar merkwaardige melodieën, nog in Sefardische kringen algemeen bekend, moet hij, muzikaal van aanleg, meermalen hebben gezongen. Wie weet, wat er door Joden wordt geneuried. Veraf en dichterbij. Luid en onhoorbaar.
Wellicht dacht Da Costa dan aan de verbanning der Joden uit Spanje, die immers ook op 9 Ab had plaats gevonden. Misschien droomde hij wel te staan op de Theba in de lege Snoge. Galmende tegen haar hoge pilaren op. Wat al niet werkte in zijn bloed! Zou hij nu eindelijk de verlossing mogen preken van zijn stam en — als eens voorspeld — rouw omzetten in vreugde, vasten in feestvermaak?
Dan werd hij wakker. Of bleef hij dromen? Altijd.
113