-25-
2o Willem Kist
Uit Zonderlinge Lotgevallen van Barend van Poederen, Eerste Deel,
Te Haarlem bij François Bohn, Î815, pagina 20/22#
DE WANDELING IN DE PLANTAGIE
Terwijl de Reizigers aan het ontbijt zaten, en de zon hunne kamer vrolijk verlichtte, maakten zij allerlei plannen om den tijd op de vermakelijkste wijze door te brengen; doch Van Zon herinnerde den Schout aan het derde artikel der voorwaarden, waarop zij hem gevolgd waren, namelijk, dat ieder van hun zoo vrij zou zijn als een vogel in de lucht, en dat de een den anderen, in zijne genoegens of neigingen, niet hinderlijk zijn zoude Barend en Windsor beraamden dus om eene wandeling in de Plantagie te doen dewijl het een Feestdag was, terwijl Van Zon eenigen van zijne vrienden zou gaan bezoeken#
Barend kleedde zich daarop (naar zijne gedachten ten minste) zeer fraai aan; een ligt blaauwe rok, met een aantal groote schitterende knoopen voorzien, een rood vest, een donker gele lakensche broek en witte zijden kousen zetteden hem niet weinig luister bij, te meer, daar rok en vest en broek door den Kleermaker van zijn Dorp op eene zonderlinge wijze gemaakt waren«
Windsor had meer smaak in het uitkiozen der kleuren, schoon men aan zijne houding, gang en kleeding ook duidelijk genoeg zien kon, dat hij den langsten tijd van zijn leven in eene afgelegene Provincie had doorgebragt Niemand leeft er, die den invloed van fraaije kleederen op het hart en de
ledenmaten der menschen, die veel eigenliefde bezitten, zal willen looche
nen*. Moediger dan twee jonge leeuwen stapten Barend en Windsor naar de Plantagie, zij volgden eenen stroom van wandelaren, die allen door het fraaije weder waren uit gelokte Windsor wilde don zoo genaamden Jodenhoek vermijden, en zich, langs eenen anderen meer afgelegen weg, naar de Plantagie begeven; doch Barend zeide onder het voort gaan, met hevige gebaren en eene luide stem, dat hij, zoo hij begeerte gevoelde eenige jonge jodinnetjes te beschouwen, die schooner waren dan de dageraad, den gewonen weg moest inslaan« Windsor antwoordde al spottende, dat hij in zijn leven honderde Roosjes, Malchjes, Leibjes en Racheltjes gezien had, doch dat hij om harentwil de moeite niet nemen zou van twintig huizen ver te gaan, dat hij in de nakomelingen van Abraham geen behagen schepte; doch dat hij echter uit inschikkelijkheid zijnen vriend wel wilde volgen#
Zoodra zij een gedeelte van den Jodenhoek waren doorgegaan, zagen zij eenige meisjes aan de deuren staan, of ginds en herwaarts wandelen, welke in der daad onder de schoonste vrouwen konden gerangschikt worden# Wat zegt gij nu? mijn Vriend! vroeg Barend met eene overwinnende houding, terwijl hij hem telkens aanstoot ede om hem opmerkzaam te maken, hebt gij, die een bewonderaar zijt van schoone schilderijen en portretten, er ooit fraaijer geschilderd of geteekend gezien?
Windsor bekende, dat hij te voorbarig geoordeeld had, hij scheen van dat oo
genblik af aan meer achting te gevoelen voor het nakroost van den ouden Aartsvader, voornamelijk toen hij zag, dat sommigen hem op eene bevallige en goedhartige wijze groetten, en hij, achter zich, meer dan eens hoorde ze gen, dat zij in langen tijd geen fraaijer en welgemaakt er man gezien hadden
Het slot vindt een opvallend equivalent in het hier volgende fragment#