I
Hortusplantsoen
En nu we eindelijk voor het plantsoentje staan, vertel ik U tot slot, dat Cohaniem hier nimmer passeerden, omdat er zich vroeger een begraafplaats bevond.
Vroeger? Wie met mij heeft gedwaald door deze plantage — wie als kind heeft gespeeld in Artis — wie in de zomer hier de bloemen zag en in de winter ongerepte sneeuw op de takken der bomen....
Hij zal, als eens de priesters, hier niet meer kunnen gaan over dit vale kerkhof van herinneringen. Waar zelfs het asfalt en de klinkers der straat zich hebben vervreemd van de zolen onzer voet.
142