JACOB ISRAËL DE HAAN
Toornig rood lelde ze alle dominees d'r vinnig schreeuwbek-je uit en weer heviger oprazend:
- U durft veel zegge, m'neer Bramer.
- Toe nou nichie, hou je nou een beetje kalm, suste 't Mek-senmensje, dat haar theepartijtje verherriën zag, m'neer Bramer meent 't ook zo erg niet... en we hadden 't...
-Ja, ik zal daar zwijgen, als m'n wijkdominee voor 'n lel uitgemaakt wordt...
- Nichie, daar ging 't niet over, bazigde Meks, we hadden 't over de siele van de heidene, as jij d'r nou dit bij haalt en juffrouw Lepelaar weer dat, dan zitte we met ouëjaar nog hier.
- Ik haal d'r niks bij, koppigde nichie, ik zeg maar en daar blijf ik bij, dat een heiden, die niets weet vanjeses Gristes en die gekruist, dat die niet in 't eeuwige gericht gelijk staat met een Gristen, die breekt het brood van 't zoete bericht, en as juffrouw Lepelaar dat nou beter weet, moet ze 't maar zegge...
Juffrouw Lepelaar gaf niet op.
- Ja weten, weten... we weten allemaal niks, gelijk daar geschreven staat, dat de wijsheid de kindertjes is geopenbaard, maar ons is verborrege, dat zal nichie toch ook wel wete...
Nichie wist.
- Nou, triomfsloot die van Lepelaar, as nichie dat dan ook weet, dan begrijp ik niet, hoe iemand zo kan prate...
- Nee maar..., uitvinnigde nichie weer.
Dan, het verveelde huisjuffrouw. Zij zat daar net voor spek en bonen bij, en nichie en juffrouw Lepelaar hadden 't hoogste woord. Dus maakte zij zich daarvan meesteres; en hevig beluisterd door al de neutralen begon ze:
-Ja, ik praat eigenlijk niet graag over zulke dingen van 't geloof, want 't loopt negen en negentig keer van de honderd met ruzie af en we ganen ook nooit naar de kerk...
- Schande genoeg, vond nichie.
Maar Bramerse zoetsapte:
86