jacob israël de haan
vrouw blijft zitten met zes kinderen van d'r eigen en een vreemde...
-Ja, tussenbrak juffrouw Meks, dat was een jongen van de buren, die ze toch maar zó bij zich hèt genomen toen z'n moeder stierf... z'n vader was hard weggelopen... affijn, u begrijpt 't wel... en hij was nog wel Rooms ook.
- En niks geen haat en nijd, nam juffrouw Bramer over, ze hebben vroeger in 'n huisie van mijn gewoond, dus ik weet er alles van... ze bennen in één woord prachtig voor die jongen geweest.
-Ja, maar, wat heb ik daar nou mee te maken, tegentjes-zei ik.
M'n stemming was zeurigzacht van 't zo wel prettig vinden te praten over dingen van niks en anderen te horen... zelf zo maar af en toe d'ris wat te zeggen en dan warm in schaduw te liggen en kijken naar zonniglicht.
- Dat zal u horen, verdervertelde de huisjuffrouw, zoas ik zei, ze bennen gewoon prachtig voor die jongen geweest... u begrijpt, hij was ook niet iemand van geld, hij was vaste timmerman bij De Leur1, dus dat is ook niet meer as 'n gulden of dertien en veertien... en nou wouën we wat voor die vrouw doen.
—Juist, zei juffrouw Meks.
En dan juffrouw Bramer weer brederzeuriger:
- Ik heb d'r over gesproken met juffrouw Meks en juffrouw Meks hèt d'r over gesproken met mijn en nou wouën we proberen d'r een beetje knappies in 'n stand2 te zetten.
-Juist... in 'n stand, u begrijpt zo, asje d'r 'n paar centen in d'r handen geeft, dan zijn ze toch dadelijk weg... hieran... daaran... u weet zelf hoe dat gaat.
1. Bouwbedrijf in Amsterdam
2. Een betrekking als kleine zelfstandige; P 2 vervolgt: 'Wateren vuur ofzo . . . of 'n melkhuisie'
198