XV. NOG EEN AVONDJE
Prettig in rust was ons leven van de laatste tijd. Sam had juffrouw Meks uitgelegd, dat we waarachtig die dag niet met 'r mee hadden kunnen gaan naar de gevangenis. We hadden juist een kennis ontmoet aan wie Sam veel verplichting had en die had ons niet met rust gelaten. Juffrouw Meks zei, dat ze 't alleen mal had gevonden voorjuffrouw Vos en verder was er niet over gesproken.
Geert had ik niet meer gezien, nu dacht ik aan hem met een fijne droefheid van 't toch wel jammer vinden, maar troostend. Toen Sam na de avond van Koos thuiskwam had hij geroken de warmwitte jeneverlucht, en vreemdgedwee had ik alles verteld. Beloofd, dat 't niet meer zou gebeuren. Maar Sam vertrouwde niet en was dicht bij me gebleven, bewaakte me zorgelijk.
Iedere dag gingen we saam uit tegen het vallen van de avondschemer en maakten onze wandeling, de Amstel langs of een eind over de grachten, die donker lagen in 't lentelicht van een avond. En mijn sobere schat van prettige impressies werd één rijker, de paisibele bomen gebogen over 't donkerlichte water, de huizen stil en deftig. Midden op de drukke dag zat ik het soms te bekijken. En zo op een middag ook. Sam had laat gewerkt nog en sliep nu wat, ik was moe, keek 't raam uit, strak-starend naar de overkant.
Er werd geklopt. Het was juffrouw Meks, die binnenkwam zacht lieflachend.
- Is m'neer Sam d'r niet?
150