JACOB ISRAËL DE HAAN
Er was niets triestigs in alleen gebleven bruin schrompel-vrouwtje, maar enkele radeloze verschrikking van boeven-vrees. Ze zat daar kalm, en haar bruin zonnig mondje snoes-lachte vrindelijk...
De trein ratelschokte over het oude station, hevig slingerwisselden we van rails op rails, tot weer 't rechte eindje kwam naar 't nieuwe.
-Juffrouw Meks, wor nou wakker, we zijn er.
- Gut, zijn we d'r al, wakkerschrikte juffrouw Meks.
Sam keek op. Onder de donkere stationsoverkapping zacht-rolde de trein, geen zon meer en in enen alles zwartschaduw-bruin. Ik dee 't portier open, en we gingen eruit, eerst 't oudje, dan juffrouw Meks. Zwaar op m'n schouder lei Sams hand, ik keek hem aan. Hij huilde en zei:
- Dagjopie.
Het stationsplein was zonnigwit en fris na de bruine coupébenauwdheid. Juffrouw Meks sloeg haar kreukrok af en wees ons andere boevevrinden. Een fijne heer, een bleek meisje.
- Die reizen notebene eerste klas, spietste Meks, maar goed, daar daar geen klassen bennen... verbeel-je ze ganen waarachtig met de tram, of je d'r zó ook niet komt.
- Loop u maar even door, zei Sam, ik moet even ergens wezen.
Ze liepen op, langzaam en toen Sam tegen mij:
- Ga jij d'r heen?
-Ja, natuurlijk, jij niet?
- Nee, ik ga niet.
- Zeg, toe nou, ga nou mee... maak nou geen kuren... ga nou.
- Nee, ik niet... ik kan niet... ik kan niet... laten we naar Zandvoort gaan, de zon schijnt net zo heerlijk... ga nou met mij mee.
130