76
oorspronkelijke Portugeesche bevolking, die steeds met het Hollandsche bestuur ontevreden was geweest, maar door Johan Maurits onder den duim was gehouden, stak het hoofd op. Zij vernielden vele plantages en suikermolens, veroverden in korten tijd het Zuidelijk gedeelte van Pernambuco en sloegen eindelijk het beleg om Recief. De Joodsche burgers der hoofdstad deden dapper hun plicht; wat zij tijdens het beleg met hun Christen lotgenooten te lijden hadden, werd op treffende wijze geschilderd door Chagam Aboab in een geschriftje, waarvan het eenige exemplaar zich in de Bibliotheek van Ets Haïm bevindt.
In het begin van 1654 viel Recief; den Hollanders werd vrije aftocht toegestaan, waarbij ook de Joden ingeSloten werden. Daar de Portugeesche veroveraars verklaarden, dat Joden en niet-Katholieken in het land mochten blijven wonen en behandeld zouden worden als in Portugal, dat wil zeggen dat zij dan aan het gevaar der Inquisitie zouden zijn blootgesteld, verlieten de Joodsche kolonisten, waarvan zich alleen in Recief 5000 bevonden, het land.
De uit Holland geïmmigreerden keerden grootendeels met Aboab en de Aguilar naar Amsterdam terug; een groot aantal Braziliaansche Joden liet zich in andere deelen van Amerika neer, waar zij hun ervaring in de plantage-cultuur en den suikerhandel overbrachten.
Tot de meest bekende Amsterdamsche Joden, die in Brazilië hebben gewoond, behoorden naast de Rabbijnen Aboab en de Aguilar o. a. Jacob de Aguilar, „Rabi y Jasan en el Brasil” (de Barrios); de dichter Eliau Machorro; Jacob Lagarto, Chagam der Gemeente in Tamarica, die aldaar ook het werk „Tiendra de Jacob” zou hebben geschreven; Efraim Soeyro, de zwager van Menasse ben Israël, met wien deze zich heeft willen assosicëeren om zich ongestoord aan de wetenschap te kunnen wijden; Isaac de Castro Tartas, de broer van den bekenden Amsterdamschen boekdrukker, die naar Portugal gekomen voor de Inquisitie aldaar werd gebracht en in 1647 te Lissabon werd verbrand; de reeds genoemde Dr. Jacob de Andrade Velozinos en Abraham Cohen, die gedurende het beleg van Recief zoowel zijn Joodsche