66
Nunez (alias Don Manuel de Belmonte), resident van den Koning van Spanje in de Nederlanden, een academie tot beoefening der Spaansche poëzie had opgericht, werd Roca-mora als een der prijsrechters benoemd.
Zijn zoon Dr. Salomo de Rocamora, die 18 Augustus 1668 te Utrecht was gepromoveerd, was eveneens een beoefenaar der dichtkunst en lid der academie Maskil el Dal. Zijn vriend de Barrio§ vervaardigde bij zijn overlijden een treurdicht te zijner eere.
Ook de zoon en schoonzoon van Dr. Isaac Orobio de Castro waren geneeskundigen. Dr. Mozes Orobio de Castro was o.a. Parnas der onderwijsinrichting, zijn zwager Dr. David Sarphati de Pina ook Rabbijn, die in 1675 eveneens een predikatie bij de inwijding der Synagoge heeft gehouden. In 1695 was hij Parnas van F.ts Haïm.
Den 2en Juni 1655 promoveerde te Leiden Jozef Abarbanel, een verwant van Menasse b. Israël, en den 4en Juli 1658 aldaar Jacob de Paz uit Malaga.
In Leiden had ook Isaac Abendana geneeskunde gestudeerd, welke kunst hij echter niet heeft uitgeoefend. Omstreeks 1663 begaf hij zich naar Cambridge, waar hij werkzaam was aan de Universiteits Bibliotheek. Aldaar bevindt zich zijn Latijn-sche Mishna-vertaling in handschrift, welke nooit gedrukt is. In het Engelsch bewerkte hij eenige kalenders van 1692—1700. Omstreeks 1710 overleed hij in Londen.
Ook Dr. David de Haro had in Leiden zijn doktershui behaald. Hij was een der medespelenden in Jessurun’s Dialogo dos montes, dat op het Wekenfeest 1624 in de Synagoge der Gemeente Bet Jaacob was opgevoerd.
Onder de taalkundigen is te noemen Mozes Raphael de Aguilar, die ongeveer 40 jaar lid van het Rabbijnen-college is geweest (overl. 17 December 1679). Hij was een veelzijdig ontwikkeld geleerde, die zich behalve op het gebied der Joodsch-theologische wetenschap ook heeft bewogen op philosophisch terrein. Hij bezat een zeer kostbare Bibliotheek, waarvan de Catalogus in 1680 is verschenen. Behalve een Hebreeuwsche grammatica (Leiden, 1660, herdrukt in 1661 bij Joseph Athias) en een leerboekje voor de ritueele slacht-