63
dom terugkeerde en den naam Isaac aannam. Hier werd hij spoedig het middelpunt van een aantal beoefenaren der Spaansche poëzie en genoot alom zóóveel achting, dat hij reeds in 1668 tot Parnas der Onderwijsinrichting en in 1670 tot lid van het Bestuur der Gemeente werd gekozen. Dr. Oro-bio de Gastro werd niet alleen een overtuigd aanhanger van het Jodendom, maar ook een krachtig strijder voor het geloof zijner vaderen en een Verbitterde tegenstander van het Christendom, dat hij grondig had leeren kennen. Hij bracht het in zijn geschriften zulke krachtige slagen toe, dat de bekende Remonstrantsche predikant Philippus van Limborch zich gedrongen voelde, zijn geloof tegen Orobio’s aanvallen te verdedigen („Amica collatio cum erudito Judaeo” = vriendelijke onderhandeling met een geleerden Jood, in Gouda in 1687, kort vóór zijn dood verschenen). Hij was een der weinigen onder de toenmalige intellectueele Portugeesche Joden, die een ernstige poging deed, Spinoza’s denkbeelden te weerleggen („Certamen philosophicum”, Amst. 1684, 2e dr. aldaar 1703). Van zijn vele geschriften is dit het eenige, dat hijzelf heeft uitgegeven: lang na zijn dood verscheen, in het Fransch vertaald, zijn „Israël Vengé” (Londen, 1770) waarvan in 1839 een Engelsche vertaling het licht zag. Zijn overige geschriften zijn in handschrift bewaard gebleven. Hiervan zijn het meest bekend: „Prevenciones divinas contra la vana Idolatria de las Qentes”, in vier samenspraken; „Explicacion . . . Cap. 53 de. .. Ysaias” en zijn geschrift („Epistola invectiva”) tegen Dr. de Prado tegen wien hij ook een brief heeft gericht, gedateerd Utrecht, 12 Augustus 1664, waarvan zich een copie in de Livraria—D. Montezinos bevindt.
Deze Dr. Juan (Daniël) de Prado was in 1638 te Toledo gepromoveerd. In den zomer van hetzelfde jaar 1656, wraarin Spinoza uit de Gemeente werd gestooten, werd ook hij wegens zijn denkbeelden in den ban gedaan en moest hij zijn „slechte meeningen”, gelijk Uriël da Costa 16 jaar vroeger, herroepen. Reeds het volgende jaar echter werd hij opnieuw in den ban gedaan en trachtte de „Maamad” zijn familie te overreden, hem naar een der Hollandsche kolonies in Zuid Amerika te doen vertrekken, waarbij de Gemeente met groote vrijgevig-